
Er lag sneeuw op de takken toen Kameo bij Muis aanklopte. Uit haar kleine huisje kwam warm licht. Muis deed open en liet hem snel binnen.
‘Kom bij de lamp zitten,’ zei ze. ‘Ik heb de deur dichtgedaan, maar ergens voel ik steeds een koud stroompje.’
Kameo keek naar het raam. Dat zat goed dicht. Hij keek naar de schoorsteen. Daar hoorde een beetje lucht doorheen te gaan. Toen zag hij iets wits op de vloer: een klein veertje. Het lag niet stil. Langzaam schoof het over de planken.
‘Jouw veertje gaat op reis,’ zei Kameo.
Muis fronste. ‘Maar er is niemand die het duwt.’ Samen gingen ze op hun knieën zitten om te kijken waar het heen ging.

Het veertje gleed naar de deur. Daar bleef het even hangen. Toen schoot het een stukje terug, alsof de deur heel zachtjes blies.
Kameo hield zijn hand laag bij de vloer. Onder de deur zat een smalle kier. Hij voelde de frisse lucht erdoor komen. ‘Daar komt het vandaan.’
Muis ging naast hem zitten en voelde het ook. ‘Daarom blijven mijn tenen koud, zelfs als ik bij de lamp zit.’
Ze bekeken de kier. De deur kon nog prima open en dicht. Er was alleen ruimte tussen de onderkant en de vloer. Kameo dacht aan het veertje, dat precies de weg had gewezen.
‘Heb je een stukje stof dat we kunnen oprollen?’ vroeg hij. Muis haalde een extra doek uit de kast.

Ze rolden de doek samen op, van de ene hoek naar de andere. Muis hield hem recht terwijl Kameo hem voor de kier legde. Eerst lag er aan één kant nog een opening. Ze schoven de rol een stukje op. Nu sloot hij over de hele breedte aan.
Het veertje lag naast de deur. Het bewoog niet meer. Kameo blies er heel even zelf tegen. Daar ging het weer, een klein stukje over de vloer. Muis moest lachen.
‘Zo kan ik zien dat het veertje nog werkt,’ zei ze. ‘Alleen de deur blaast niet meer.’
Kameo zette het veertje op de tafel. Buiten bleef de sneeuw rustig vallen. Binnen voelde de vloer bij de deur niet langer koud aan.

Muis klom in haar bed. Vanaf daar kon ze de deur zien, met de opgerolde doek ervoor. Ze hield het veertje nog even in haar hand.
‘Morgen leg ik het weer op de vloer,’ zei ze. ‘Dan kan ik kijken of de doek nog goed ligt.’
‘Slim,’ zei Kameo. Hij schoof de lamp iets dichter naar de muur, zodat Muis er niet tegenaan zou stoten als ze opstond. Daarna ging hij bij het bed zitten.
De sneeuw maakte het buiten heel stil. Muis trok de deken op en legde het veertje naast haar kussen. ‘Bedankt voor het speuren.’
‘Jij zag het veertje ook,’ zei Kameo. ‘We hebben het samen gevonden.’
Hij wenste haar welterusten. Bij de deur keek hij nog één keer om. De doek lag op zijn plek en Muis lag behaaglijk onder haar deken.
Nog een verhaaltje?
Kies samen een ander verhaal om voor te lezen of naar te luisteren.
Volgend verhaal: Kameo en zijn eerste schooldag