
Kameo mocht voor het eerst bij Fien logeren. Hij had zijn kleine tas ingepakt, de deur thuis dichtgedaan en helemaal tot aan het beekje gelopen. Fien stond al op hem te wachten.
‘Kom binnen,’ zei de otter. ‘Ik heb een plek voor je klaargemaakt.’
In haar huis rook het naar hout en naar de bloemen naast het raam. Op de vloer lag een rond logeerkussen. Fien liet zien waar de dekens lagen en waar Kameo zijn tas kon neerzetten. Ze aten samen een klein avondhapje. Ze lachten om de manier waarop Fien een appel kon laten rollen zonder hem te laten vallen.
Toen het tijd was om te gaan liggen, voelde het logeerkussen prettig. Toch bleef Kameo rechtop zitten. Buiten hoorde hij steeds iets dat hij thuis niet hoorde. Sssj. Sssj. Sssj.

‘Wat is dat?’ vroeg hij.
Fien ging naast hem zitten. ‘Het beekje. Het loopt vlak langs mijn huis.’
‘Ik weet dat het een beekje is,’ zei Kameo. ‘Maar thuis hoor ik bladeren tegen mijn raam. Hier klinkt alles anders.’
Fien keek hem aan. ‘Mis je thuis een beetje?’
Kameo knikte. Hij vond logeren leuk. En hij miste thuis. Dat kon blijkbaar tegelijk. Fien vond dat helemaal niet vreemd.
‘Wat doe je thuis vlak voor het slapen?’ vroeg ze.
Kameo dacht na. ‘Ik vouw mijn deken dubbel. Dan leg ik mijn boek naast me. En ik zwaai nog één keer naar buiten.’
‘Dat kunnen we hier ook doen,’ zei Fien. ‘Het raam staat daar.’ Ze wees naar het water dat zacht glinsterde.

Samen vouwden ze de deken precies zoals Kameo hem thuis vouwde. Fien haalde een klein boek uit de kast. Niet hetzelfde boek als thuis, maar wel één met een fijn plaatje voorop. Kameo legde het naast zijn kussen.
Daarna zwaaiden ze allebei naar het raam. Aan de andere kant stroomde het beekje gewoon verder. Sssj. Sssj. Sssj.
‘Nu lijkt het al meer op mijn eigen avond,’ zei Kameo.
‘En toch is het hier,’ zei Fien. ‘Dat vind ik het leuke aan logeren.’
Kameo moest lachen. Hij wilde nog weten of Fien ook een eigen gewoonte had. Zij vertelde dat ze haar kussen altijd één keer omdraaide, ook als de andere kant precies hetzelfde voelde. Natuurlijk moest Kameo dat meteen proberen.

Fien ging op haar eigen plek liggen. Kameo trok de deken tot aan zijn buik en keek naar het maanlicht op de vloer. Het beekje klonk nog steeds anders dan de bladeren bij zijn huis. Maar nu wist hij wat het was, en hij wist waar zijn boek lag.
‘Welterusten, Fien.’
‘Welterusten, Kameo.’
Een tijdje luisterde hij naar het water. Sssj. Sssj. Sssj. Hij dacht aan zijn boom thuis en aan Fien die vlakbij lag. Morgen zouden ze samen naar de stenen in de beek kijken. Voor nu was het genoeg om op zijn kussen te liggen.
Kameo draaide het nog één keer om, net als Fien. De koele kant voelde heerlijk. Aan de andere kant van de kamer hoorde hij Fien zacht lachen. Daarna werd het stil.
Nog een verhaaltje?
Kies samen een ander verhaal om voor te lezen of naar te luisteren.
Volgend verhaal: Kameo en de schaduw met de oren